Hoi allemaal,
ik heb weer een nieuw stukje voor mijn verhaal geschreven.
Alleen nu is het een stukje van Joyce, veel plezier met lezen.
Joyce:
"Pap, doe nou eens rustig!"
We komen echt wel op tijd hoor.
Maar nee, mijn vader blijft maar door rijden.
Hij racete alle auto's voorbij.
Hoeveel boze blikken en en middelvingers we nu al gehad hebben weet ik niet meer, het zijn er in
ieder geval heel veel.
Ik schaam me voor mijn vader,
kan hij niet eens even één keertje normaal doen.
"Pas op papa, rij alsjeblieft een beetje rustig."
Ik had gisteren nog tegen hem gezegd
"pap moeten we niet nog even tanken?" Nee dat hoefde niet, nou hij heeft het geweten.
De tank was bijna leeg, nergens een tankstation te bekennen natuurlijk.
En schelden dat hij deed, ik kan er ook niets aan doen dat hij gisteren niet naar mij geluisterd
heeft.
Dat ben ik wel gewend, hij luistert eigenlijk nooit naar mij. Later zegt hij dan "had je dat niet tegen
mij kunnen zeggen?" Dan is hij weer vergeten dat ik hem dat wel verteld heb.
Ik neem het hem niet zo kwalijk dat is nou eenmaal hoe hij is, veel mensen worden boos en
begrijpen hem niet. Dat is ook de reden dat papa nog geen nieuwe vrouw heeft gevonden na
mama's dood.
Ik ben voor hem de vrouw in huis, ik doe de was, kook het eten, doe boodschappen en maak het
huis schoon.
Gelukkig werkt mijn vader wel, er is dus geen tekort aan geld.
We moeten wel op letten maar dat moeten veel mensen.
"Pap kijk uit!!"
BAM.
Ergens in de verte hoor ik sirenes.
Mijn lichaam doet z'n pijn, vooral mijn been. Ik roep mijn vader.
"Pappa, pappa waar ben je?"
Ik hoor mijn vader zeggen dat het goed is en dat ik me geen zorgen over hem hoeft te maken,
het is alleen niet erg gerust stellend er klinkt veel paniek in zijn stem.
Nu besef ik pas dat ik niet
meer in de auto zit maar op het harde asfalt lig. Mijn vader zit nog wel in de auto, nou eigenlijk
hangt hij meer uit de auto dan dat hij er in zit.
Plots zie ik daar de andere auto.
Die zit echt helemaal in elkaar, er loopt een man en een vrouw druk om de auto heen te ruziën.
Twee meisjes zitten huilend in elkaars armen op de weg met een ambulance broeder naast zich.
Wat ik nu zie had ik liever niet willen zien. Ik kijk weg, het help niet het beeld is op mijn netvlies
gedrukt. Ik doe mijn ogen dicht om het beeld te vergeten maar het lukt niet.
Ik blijf dat meisje zien met een stuk van de auto in haar gezicht.
Het is een verschrikkelijk beeld.
Het stuk ijzer heeft zich gewoon door haar gezicht heen geboord.
Ik vraag me af of het een familie is en of er nog mensen in de auto zitten?
Ergens hoop ik dat het niet zo is, dat ze er allemaal goed vanaf komen. In mijn achterhoofd weet ik
dat dat waarschijnlijk niet zo zal zijn. Zo als dat meisje er uit zag zal ik nooit meer vergeten.
veel liefs, Zoë.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten